Vakantiedagen: anti-oppot beding niet zomaar geldig

vakantie Verval vakantiedagen

Vakantiedagen worden vaak gebruikt c.q. misbruikt als spaarpotje. Bij het einde van het dienstverband moet immers het opgebouwde verlofsaldo worden uitbetaald tegen het laatst geldende uurloon.

De minimum vakantieopbouw in een jaar bedraagt viermaal de wekelijkse arbeidsduur. Bij een dienstverband van 40 uur per week is dat 4×40 = 160 vakantie uren per jaar. Die minimum vakantie-aanspraak vervalt een half jaar na het kalenderjaar waarin hij is opgebouwd. Vakantiedagen die een werknemer in 2016 heeft opgebouwd maar niet in dat jaar heeft opgenomen, vervallen op 1 juli 2017.

Eventuele extra vakantiedagen die aan een werknemer worden toegekend, noemen we de bovenwettelijke vakantiedagen. De bovenwettelijke dagen verjaren vijf jaar na het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd.

Voorkomen verlof stuwmeer

Om te voorkomen dat werknemers een stuwmeer aan verlofdagen opbouwen, is het aan te raden om in het arbeidscontract een clausule op te nemen dat vakantiedagen binnen een bepaalde termijn moeten worden opgenomen en anders komen te vervallen.  Zo’n anti-oppot beding is echter niet geldig als daarin termijnen worden genoemd die korter zijn dan de wettelijke vervaltermijn van een half jaar. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft dat nadrukkelijk geoordeeld in zijn arrest van 2 februari 2017 (Werknemer/X Dairy Industry B.V., ECLI:NL:GHSHE:2017:345, AR Updates 2017/0130).

Contractuele vervaltermijn bovenwettelijke vakantiedagen

Vreemd genoeg lijkt uit dit Dairy-arrest te volgen dat voor bovenwettelijke vakantiedagen überhaupt geen vervaltermijn mag worden opgenomen zonder vervangende schadevergoeding.
In de arbeidsovereenkomst van Dairy was bepaald dat indien werknemer de hem toekomende vakantiedagen niet heeft opgenomen voor 1 januari volgende op het kalenderjaar, iedere aanspraak daarop vervalt. Het gerechtshof oordeelt daarover onder rechtsoverweging 3.6:

“Voor wat betreft de bovenwettelijke verlofdagen is van belang dat in artikel 7:640 BW is bepaald dat een werknemer tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst geen afstand kan doen van zijn aanspraak op vakantie tegen schadevergoeding, maar dat daarvan kan worden afgeweken voor bovenwettelijke vakantiedagen bij schriftelijke overeenkomst. Het hof is van oordeel dat daaruit volgt dat tijdens de arbeidsovereenkomst wel afstand kan worden gedaan van vakantiedagen wanneer het gaat om bovenwettelijke vakantiedagen en dat dit dan tegen schadevergoeding mogelijk is, maar niet, zoals in dit geval, om niet.”

Dat oordeel is naar mijn bescheiden mening volstrekt onjuist. Het gerechtshof stelt ten onrechte een contractuele vervaltermijn gelijk aan het doen van afstand door de werknemer van zijn vakantieaanspraken. Dit oordeel is de wereld op zijn kop en juridisch onjuist. Juist als een genereuze werkgever aan zijn werknemer méér vakantiedagen toekent dan het wettelijk minimum, geldt de volledige contractsvrijheid om daarbij tegelijkertijd te bedingen dat die extra verlofdagen dan wél in hetzelfde jaar moeten worden opgenomen.

Het is te hopen dat dit oordeel geen navolging gaat krijgen in de verdere jurisprudentie over contractuele vervaltermijnen van bovenwettelijke verlofdagen.

 

Mr. Saskia van Gessel