Overheid aansprakelijk voor trage rechtspraak – HvJ-EU veroordeelt zichzelf!

slakOverschrijding redelijke termijn

De traagheid van de rechtspraak is dé grote frustratie voor advocaten en nog het meest voor hun cliënten. Een gemiddelde procedure bij de rechtbank of het gerechtshof duurt al gauw twee jaar. En denk maar niet dat er in die periode steeds druk geprocedeerd wordt; in tegendeel. De meeste tijd gaat verloren met het wachten op het vonnis van de rechter. Ziekte, achterstanden, onderbemanning, mismanagement, er zijn redenen genoeg waarom de rechters er niet in slagen om op tijd vonnis te wijzen.

In artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is bepaald dat iedereen recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Nederland is kampioen overtreder van deze bepaling doordat veel gerechtelijke procedures niet binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.

Een gemiddelde procedure bij de rechtbank of het gerechtshof duurt al gauw twee jaar.

Schadevergoeding

Volgens vaste rechtspraak van het EHRM over art. 6 EVRM is uitgangspunt dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, hetgeen een grond vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade[1]. Dit is ook voor het nationale recht de maatstaf[2], en betekent dat het bestaan van de immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn automatisch wordt aangenomen. Naast immateriële schade (de “frustratieschade”)  moet ook de materiële schade worden vergoed, voor zover die schade althans aantoonbaar is.

De redelijke termijn die als uitgangspunt geldt voor de afdoening van bestuursrechtelijke zaken is inmiddels in de rechtspraak uniform bepaald op totaal vier jaar. Voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan wordt daarbij uitgegaan van een termijn van een half jaar, voor de procedure bij de rechtbank van anderhalf jaar en voor het hoger beroep twee jaar. Wordt deze overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding.

Voor civiele zaken valt zo’n duidelijke norm niet te stellen. Procedures voor de Nederlandse burgerlijke rechter lopen zodanig uiteen in aard, ingewikkeldheid en procesvoering, dat er geen algemene richttermijnen kunnen worden gegeven voor een redelijke duur van die procedures – aldus de Hoge Raad in een arrest uit 2014 (ECLI:NL:HR:2014:736). Dat neemt niet weg dat de Nederlandse Staat onder omstandigheden wel degelijk aansprakelijk is voor de gevolgen van trage rechtspraak, en dat de jurisprudentie van het EHRM daarbij als richtsnoer kan dienen.

Die vordering tot schadevergoeding moet worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen de Staat. Kortom: opnieuw procederen, maar dan tegen de Staat. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest geoordeeld dat voor zo’n nieuwe procedure niet opnieuw griffierecht verschuldigd is.

Arrest Kendrion/EU: hogere immateriële schadevergoeding voor traagheid procedure

Op 1 februari 2017 heeft het Gerecht van het Hof van Justitie EU geoordeeld over een termijnoverschrijding, en daarbij een forse schadevergoeding toegekend. In deze zaak Kendrion/EU (T‑479/14) was er volgens het Gerecht sprake van een periode van onverklaarbare inactiviteit bij de behandeling van de zaak, namelijk 20 maanden. In deze zaak stelt het Gerecht daarom een schending vast van de redelijke procestermijn. Aan Kendrion werd een schadevergoeding toegekend van € 588.769, namelijk de kosten van de bankgarantie die Kendrion heeft betaald in die periode. Bovendien kent het Gerecht Kendrion een schadevergoeding toe van € 6.000 euro voor immateriële schade als gevolg van de verlengde staat van onzekerheid door de procesduur. (De schadevergoeding moet worden betaald door de EU, vertegenwoordigd door: datzelfde Hof van Justitie!)

De immateriële schadevergoeding – omgerekend € 300 per maand – is een stuk ruimhartiger dan de maatstaf van € 500,- per halfjaar die onze Hoge Raad hanteert.  Aangenomen mag worden dat ook de Nederlandse rechters deze hogere maatstaf voor immateriële vertragingsschade zullen overnemen.

Uiteindelijk is schadevergoeding niet de oplossing voor het wérkelijke probleem. Zo heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onlangs de uitsteltermijnen voor vonnissen standaard op zes maanden (!) gezet. En als na zes maanden het vonnis nog niet gereed is, wordt de zaak rustig wéér zes maanden uitgesteld. Ziekte, achterstanden, onderbemanning, mismanagement, wie zal het zeggen?

Mr Saskia van Gessel

 

[1] zie onder meer EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, ECLI:NL:XX:2006:AX7382 (Riccardi Pizzati tegen Italië)

[2] vgl. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360