Concurrentiebeding en schriftelijkheidseis: een valkuil voor werkgevers

Strenge eisen

De regels rondom het non-concurrentiebeding zijn uiterst strikt. Artikel 7:653 BW bepaalt dat een non-concurrentiebeding of relatiebeding alleen geldig is indien de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan[1] en de werkgever dit beding schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer. In de praktijk blijkt die schriftelijkheidseis een gevaarlijke valkuil waar werknemers triomfantelijk hun voordeel mee doen.

Personeelsreglement

Grotere bedrijven hanteren vaak een personeelsreglement of handboek arbeidsvoorwaarden waarin onder meer een non-concurrentiebeding is opgenomen. In de arbeidsovereenkomst wordt dan verwezen naar dat reglement. De Hoge Raad heeft de schriftelijkheidseis voor het concurrentiebeding uitgelegd in het arrest Philips/Oostendorp (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0384).

Aan de eis van art. 7:653 lid 1 BW dat een concurrentiebeding “schriftelijk is overeengekomen”, kan ook zijn voldaan indien het concurrentiebeding is opgenomen in arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in een ander document dan het document dat de werknemer heeft ondertekend. In dat geval moet zijn voldaan aan een van de twee volgende vereisten:

  • in het arbeidscontract wordt naar toepasselijkheid van de arbeidsvoorwaarden verwezen en die arbeidsvoorwaarden zijn als bijlage bij het arbeidscontract gevoegd,
  • of
  • de werknemer heeft in het ondertekende document uitdrukkelijk verklaard dat hij instemt met het concurrentiebeding.

Werknemer ontspringt de dans

Recent heeft de Hoge Raad het arrest Lodder & Co/ Werknemer (HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:364) nog eens bevestigd hoe strikt de schriftelijkheidseis is:

Werknemer treedt op 1 januari 2003 in dienst als senior belastingadviseur bij Lodder &Co Accountants en Adviseurs. Voor die tijd was de belastingadviseur in dienst bij een dochtervennootschap van Lodder & Co. Om het klantenbestand te beschermen tegen concurrentie door oud-werknemers heeft Lodder & Co in haar Personeelsreglement een relatiebeding opgenomen. Volgens dit relatiebeding is het werknemers, kort samengevat, gedurende twee jaar na einde dienstverband niet toegestaan om cliënten van Lodder & Co te bedienen. In het arbeidscontract van de werknemer gedateerd 28 januari 2003 stond vermeld:

Deze arbeidsovereenkomst is nader uitgewerkt in de arbeidsvoorwaarden d.d. 01-01-2002, die bij deze overeenkomst zijn gevoegd en daarmee een ondeelbaar geheel vormen. U heeft kennis genomen van het bepaalde in de arbeidsvoorwaarden en verklaart daarmee akkoord te gaan. De inhoud van de arbeidsvoorwaarden wordt geacht onderdeel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst.”

Duidelijke taal, zou je zeggen.

De belastingadviseur had maling aan dat relatiebeding. Hij zegde zijn contract op en begon een paar straten verderop een concurrerend advieskantoor. Lodder & Co vorderde ruim € 294.000 aan verbeurde boetes.

Het stond vast dat Werknemer een jaar eerder, toen hij nog in dienst was bij de dochtervennootschap, een exemplaar van het Personeelsreglement had ontvangen. Tijdens het hoger beroep werd echter duidelijk dat het Personeelsreglement niet bij het arbeidscontract was gevoegd. En daar strandde uiteindelijk de vordering van Lodder & Co op: de Hoge Raad eist namelijk dat de arbeidsvoorwaarden waarin het beding staat (in casu het personeelsreglement) als bijlagen bij het ondertekende document zijn gevoegd.

En zo ontsprong deze belastingadviseur na acht jaar procederen de dans. Tot op de dag van vandaag voert hij een bloeiende adviespraktijk – dankzij de klanten van Lodder & Co?

Mr. Saskia van Gessel


[1] In een tijdelijk contract is een non-concurrentiebeding alleen bij hoge uitzondering geldig; zie artikel 7:653 lid 2 BW en de jurisprudentie die daarover inmiddels is verschenen.